BVD is het aanpakken waard

De naam BVD zorgt voor enige verwarring, omdat heftige diarreeverschijnselen bijna niet meer gezien worden bij een besmet dier. Specifieke symptomen van BVD, zoals bloederige diarree, zenuwverschijnselen bij kalveren of puntbloedingen op de slijmvliezen, worden vrijwel niet meer gezien. Een vermindering van de weerstand is wel een belangrijk effect van een BVD-infectie bij kalveren, jongvee of koeien. Een verhoogd aantal uierontstekingen, tegenvallende melkproductie of verminderde vruchtbaarheid van een koppel kan ook worden veroorzaakt door deze ziekte. Vaak wordt niet direct aan BVD gedacht. Het over het hoofd zien van BVD is daarom een groot risico.
Twee manieren van besmetting:
BVD kenmerkt zich verder door een ingewikkeld infectiemechanisme. Dieren kunnen namelijk op twee manieren besmet zijn met het virus:
1. Transiënt geïnfecteerd (tijdelijk)
Dieren kunnen tijdelijk geïnfecteerd zijn, doordat ze in aanraking zijn gekomen met het virus door bijvoorbeeld neuscontact met een ander besmet dier. Deze tijdelijk geïnfecteerde dieren maken afweerstoffen aan en na gemiddeld twee weken weren ze het virus uit het lichaam. Gedurende deze periode kunnen ze ook andere koppelgenoten besmetten. De afweerstoffen die ze hierbij hebben opgebouwd, blijven gedurende het hele leven in het lichaam aanwezig. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat deze dieren ook hun hele leven beschermd zijn tegen het virus.
2. Persistent geïnfecteerd (dragerdieren)
Bij deze ziekte komen ook dragerdieren voor. Dit zijn dieren die het virus continu bij zich dragen en dit ook in grote hoeveelheden verspreiden in hun omgeving, onder andere via mest, speeksel, urine of neusslijm. Dragerdieren ontstaan in de baarmoeder van hun moeder. Een dragerkalf wordt geboren uit een koe die geen afweerstoffen heeft en besmet raakt met het BVD-virus in de eerste 30 -120 dagen van de dracht. Het ongeboren kalf beschouwt het virus als lichaams eigen en maakt geen afweerstoffen tegen het virus. Het virus blijft levenslang in het lichaam van het kalf aanwezig.
Bij de geboorte van een dragerkalf komen met het vruchtwater en de nageboorte grote hoeveelheden virus vrij in het afkalfhok. Daarnaast scheidt het dragerkalf zijn hele leven virus uit, waard oor het koppelgenoten kan besmetten. Ongeveer 90 % van de dragerkalveren wordt niet ouder dan 2 jaar. Dit betekent ook dat ongeveer 10% de vruchtbare leeftijd bereikt en zelf weer een kalf zal krijgen. Een dragerkoe krijgt altijd een dragerkalf, dus hiermee worden nog meer infectieuze bronnen aan het bedrijf toegevoegd.
Twee typen BVD:
BVD kent twee typen, type 1 en type 2. Ruim 90% van de besmettingen in Europa zijn met type 1. De laatste tijd worden er echter ook type 2-besmettingen waargenomen in Italië, Spanje, Polen en Duitsland. Ook in Nederland is er type 2 gevonden bij vlees kalveren. Op bas is van de ernst van de verschijnselen mag niet direct een indeling in de verschillende typen worden gemaakt. Ook type 1-uitbraken kunnen zeer heftige ziektebeelden veroorzaken.
Tekst: Ruben Tolboom, dierenarts