Deense studie: geen direct verband tussen Bovaer en zieke koeien

Aanleiding voor het onderzoek waren toenemende zorgen onder Deense melkveehouders sinds de invoering van de verplichte methaanreductiemaatregelen. Vanaf 2025 moeten melkveebedrijven met meer dan vijftig koeien minimaal tachtig dagen per jaar Bovaer voeren of het vetgehalte in het rantsoen verhogen.
Vooral het gesubsidieerde 80-dagenregime bleek populair: 92 procent van de melkveehouders, ongeveer 1.400 bedrijven, koos daarvoor, mede doordat zij hiervoor 17 tot 20 euro subsidie per koe konden ontvangen. Daardoor startten veel bedrijven gelijktijdig op 1 oktober met het voeren van Bovaer.
Veel meldingen van zieke koeien
Kort daarna kwamen vanuit de praktijk meldingen binnen van gezondheids- en productieproblemen bij koeien. Verontruste melkveehouders maakten melding van onder meer melkproductiedaling, koorts, uierontstekingen, kreupelheid en sterfte onder hun koeien.
Ook de Deense dierenartsenorganisatie LVK meldde signalen uit de praktijk. Volgens de dierenartsen wezen verschijnselen als verminderde eetlust, meer restvoer, lagere wateropname en dalende melkproductie mogelijk op een tijdelijke verstoring van de pensflora na het gebruik van Bovaer.
Naar aanleiding van de meldingen startte het Deense Voedselagentschap samen met Aarhus Universiteit een praktijkonderzoek op 73 melkveebedrijven met in totaal ongeveer 27.650 melkkoeien. Daarbij zijn interviews gehouden met melkveehouders en zijn gegevens verzameld over melkproductie, melksamenstelling, gezondheidsregistraties en rantsoensamenstelling.
Impact van Bovaer verschilde sterk per bedrijf
Volgens het rapport verschilde de impact van Bovaer sterk tussen bedrijven. Sommige melkveehouders meldden duidelijke negatieve effecten na de introductie van het additief, terwijl andere bedrijven nauwelijks veranderingen zagen. Een van de meest genoemde effecten was een lagere voeropname. In de enquête gaf 36 procent van de deelnemende melkveehouders aan een negatief effect op de eetlust van de koeien te hebben waargenomen. Volgens de onderzoekers is dat effect ook uit eerdere studies bekend.
De onderzoekers wijzen erop dat de introductie van Bovaer samenviel met de gebruikelijke seizoensmatige daling van de melkproductie in de herfst. Volgens hen kan dat zogenoemde ‘herfsteffect’ ertoe hebben geleid dat melkveehouders normale productiedalingen sneller aan Bovaer koppelden.
Rantsoen met witte klaver reageerde mogelijk sterker
De onderzoekers konden geen specifieke bedrijfs- of rantsoenfactor aanwijzen die de verschillen volledig verklaarde, maar zagen wel aanwijzingen dat rantsoenen met witte klaver mogelijk sterker reageerden op Bovaer. Omdat witte klaver relatief veel voorkomt in Deense rantsoenen, kan dat volgens de onderzoekers mede verklaren waarom de signalen juist in Denemarken nadrukkelijk naar voren kwamen. Daarnaast werden kleine maar significante effecten gevonden van magnesium (positief) en kobalt (negatief) in combinatie met Bovaer op de melkproductie.
Een belangrijk aandachtspunt in het onderzoek is dat veel melkveehouders de dosering van Bovaer al snel verlaagden van de aanbevolen 60 milligram per kilo droge stof naar 45 of zelfs 30 milligram zodra zij problemen vermoedden. Volgens de onderzoekers kan dit ertoe hebben geleid dat negatieve effecten in de officiële data minder sterk zichtbaar werden, omdat boeren al hadden ingegrepen.
Geen sluitend bewijs dat Bovaer de oorzaak was
Ook voor ernstige gezondheidsproblemen vonden de onderzoekers geen sluitend bewijs dat Bovaer daarvan de directe oorzaak was. Tegelijkertijd stellen zij dat de beschikbare praktijkdata onvoldoende zijn om harde conclusies te trekken. Zo was de onderzoeksperiode relatief kort en ontbraken uitgebreide laboratoriumanalyses, secties en aanvullend bloedonderzoek.
Daarnaast wijzen de onderzoekers erop dat veel gezondheidsproblemen waarschijnlijk niet volledig zichtbaar zijn geworden in de officiële veterinaire registraties. Koeien die futloos waren of lichte klachten hadden, werden volgens het rapport vaak behandeld met ondersteunende maatregelen zoals extra vocht of hooi, zonder inzet van receptplichtige medicijnen. Daardoor verschenen deze gevallen niet in de officiële gezondheidsstatistieken.
Signalen serieus genoeg voor vervolgonderzoek
In het rapport wordt daarnaast gewezen op mogelijke veranderingen in melkparameters zoals eiwit, ureum en bèta-hydroxybutyraat. De onderzoekers sluiten echter niet uit dat daarbij sprake is van verstoringen in de gebruikte meetmodellen in plaats van daadwerkelijke biologische effecten.
Volgens de onderzoekers zijn de signalen uit de praktijk wel serieus genoeg om vervolgonderzoek uit te voeren onder meer gecontroleerde omstandigheden. Daarbij zou uitgebreider moeten worden gekeken naar diergezondheid, stofwisseling en rantsoeneffecten bij het gebruik van Bovaer.

