Minder dan 2 procent landbouwgrond wisselt van eigenaar

In 2025 werd ongeveer 33.900 hectare landbouwgrond verhandeld. Dat komt neer op een relatieve grondmobiliteit van circa 1,9 procent van het totale landbouwareaal. Over een langere periode blijft dat percentage opvallend stabiel. Alleen in 2023 was sprake van een duidelijke dip, toen slechts 27.400 hectare landbouwgrond werd verkocht. Daarna herstelde de markt zich weer richting het langjarig gemiddelde.
De onderzoekers benadrukken dat dit percentage uitsluitend betrekking heeft op de vrije grondmarkt. Overdrachten binnen families, transacties met opstallen en kavelruil zijn niet meegenomen in de berekening. Volgens Wageningen Social & Economic Research en het Kadaster geeft het cijfer daardoor een consistent beeld van de vrije markt, maar geen volledig beeld van alle eigendomsoverdrachten van landbouwgrond.
Behoefte aan hectares voor bedrijfsontwikkeling
Voor melkveehouders is de beperkte beschikbaarheid van grond volgens de onderzoekers een steeds groter probleem. De vraag naar grond blijft hoog door schaalvergroting, extensivering en de behoefte aan extra hectares voor mestplaatsing en natuurmaatregelen. Tegelijkertijd concurreren woningbouw, infrastructuur, energieprojecten en natuurontwikkeling om dezelfde ruimte. Dat houdt de grondprijzen hoog en maakt de aankoop voor veel bedrijven lastig.
De onderzoekers stellen dat de lage grondmobiliteit daardoor niet alleen de landbouwsector raakt, maar ook maatschappelijke opgaven ingewikkelder en duurder maakt. Overheden en terreinorganisaties hebben moeite om op de juiste locaties grond te verwerven voor bijvoorbeeld natuurontwikkeling, recreatie of infrastructuur.
Volgens de onderzoekers kan de beperkte beschikbaarheid van landbouwgrond daarnaast leiden tot versnipperd grondgebruik. Boeren moeten daardoor vaker percelen op grotere afstand van elkaar gebruiken, wat de bedrijfsvoering duurder en minder efficiënt maakt.
Regionale verschillen op de grondmarkt
Regionaal zijn er duidelijke verschillen zichtbaar. In grootschalige landbouwgebieden in Noord-Nederland en de polders ligt de grondmobiliteit relatief laag. In delen van Zuid- en Oost-Nederland, zoals Noord-Limburg, de Peelregio en delen van Gelderland en Drenthe, is juist meer dynamiek op de grondmarkt. Volgens de onderzoekers hangt dat samen met verschillen in de bedrijfsstructuur, economische dynamiek en ruimtedruk.
In Oost- en Zuid-Nederland zien de onderzoekers wel een lichte samenhang tussen het ontbreken van een bedrijfsopvolger en een hogere grondmobiliteit. In die regio’s leidt bedrijfsbeëindiging vaker tot daadwerkelijke verkoop van landbouwgrond dan in Noord-Nederland.
Een belangrijke oorzaak van de lage mobiliteit is dat landbouwgrond vaak binnen families blijft. Ook fiscale regels spelen daarbij een rol. Verkoop wordt regelmatig uitgesteld om belastingheffing over waardestijgingen van grond te voorkomen. Daarnaast houden sommige eigenaren grond vast in afwachting van een toekomstige bestemmingswijziging, die een hogere opbrengst kan opleveren.
Familiebezit remt aanbod van landbouwgrond
Hoewel de landbouwsector vergrijst en veel bedrijven geen opvolger hebben, leidt dat volgens het onderzoek niet automatisch tot meer aanbod van landbouwgrond. Grond wordt vaak verpacht of alsnog binnen de familie overgedragen. Daardoor komt potentiële landbouwgrond slechts beperkt beschikbaar op de vrije markt.
Volgens de onderzoekers speelt een vergelijkbare problematiek ook in Vlaanderen, waar eveneens sprake is van beperkte grondmobiliteit en een groeiende kloof tussen agrarische opbrengstwaarde en marktprijs.
De onderzoekers waarschuwen dat de lage grondmobiliteit de landbouwtransitie belemmert. Extensieve en natuurinclusieve bedrijven kunnen de hoge grondprijzen vaak moeilijk terugverdienen uit de bedrijfsvoering. Daardoor wordt omschakeling naar bijvoorbeeld biologische of regeneratieve landbouw lastiger, terwijl kapitaalintensieve bedrijven hogere prijzen beter kunnen dragen.
De onderzoekers verwijzen daarbij naar recente beleidsanalyses waarin wordt geconcludeerd dat actief grondbeleid vanuit de overheid nodig kan zijn om de spanning op de grondmarkt te verminderen en de landbouwtransitie beter mogelijk te maken.

