Nieuw bemestingsadvies: Wat er nog kan mét behoud weidegang zonder derogatie

De afgebouwde gebruiksnorm zet het weiden onder druk. En hoe hoger de melkproductie per hectare, hoe minder drijfmest er overblijft voor zodebemesting, die veel effectiever is vergeleken met mestflatten en urine in de wei.
Hoe verdeel je mest tussen grasland en maïs?
Het nieuwe bemestingsadvies geeft dan ook vanwege de betere benutting voorrang aan de bemesting van grasland met drijfmest boven de teelt van snijmaïs. Door weinig mest (30 kuub per hectare of minder) naar maïsland en geen mest op scheurgrond toe te dienen, blijft er meer mest beschikbaar voor het grasland. Ook benadrukt het bemestingsadvies het voordeel van ruim voldoende mestopslag. Beperkte mestopslag maakt uitrijden op grasland in het tweede deel van het groeiseizoen namelijk noodzakelijk en verlaagt daarmee de benutting.
Advies voor drijfmestgebruik in eerste helft seizoen
Verdeel de beschikbare hoeveelheid drijfmest over meerdere giften in de eerste helft van het groeiseizoen (voor 1 juli) en gebruik als vuistregel voor de eerste weide- en maaisnede 10-15 kuub en 20-25 kuub per hectare, aldus het bemestingsadvies. Na de eerste snede drijfmest naar weidepercelen wordt afgeraden en hooguit 15-20 kuub per hectare op maaipercelen.
Voor melkveehouders in NV-gebieden (nutriëntenverontreinigde gebieden) op zand en veen is de situatie nog lastiger door de 20 procent korting op de totale gebruiksnorm. Hierdoor is de ruimte voor kunstmest verder beperkt en is een nog zorgvuldiger planning nodig voor toediening van de beschikbare mest en kunstmest tijdens het seizoen.
Productie per hectare
Bedrijven die geen weidegang toepassen zonder stikstofoverschot in de mestboekhouding hebben bij de huidige mestnorm van 170 kilo stikstof per hectare nog 42 kuub rundveemest per hectare ter beschikking. Bij extensieve bedrijven met een productie van 11.300 vet- en eiwitgecorrigeerde (FPCM) kilo melk per hectare en 720 uur weidegang daalt de beschikbare hoeveelheid mest naar 37 kuub.
Bij een melkproductie van 16.600 kilo FPCM per hectare en 720 uur weidegang per jaar zakt de beschikbare hoeveelheid naar 35,2 kuub en bij 22.600 kilo FPCM per hectare en 720 uur weidegang blijft er nog 32,6 kuub over. Wordt er veel geweid, 4.000 uur per koe per jaar, dan schiet er bij zoveel melkproductie per hectare nog slechts 6,2 kuub over om mee te bemesten.
Te weinig mest?
De scenariostudie die aan het bemestingsadvies ten grondslag ligt toont aan dat weidegang vrijwel altijd mogelijk is, stellen de adviseurs. Alleen bedrijven met 4.000 uur weide-uren en een hoge intensiteit, hebben heel weinig organische mest om het grasland te bemesten. Meer weidegang heeft op zichzelf geen effect op de hoeveelheid mest die moet worden afgevoerd. De wettelijke gebruiksnorm van 170 kilo per hectare is namelijk niet afhankelijk van weidegang.
Rol van kali kunstmest bij beperkte mestgift
In het bemestingsadvies en de scenariostudie is geen rekening gehouden met het opbrengstniveau van grasland en maïs, wel met het ruw eiwit gehalte en een beperkte kunstmestgift. Richting de zomer kan een beperkte kaligift via kunstmest nodig zijn om de groei en kwaliteit van het gras op peil te houden, als er weinig rundveemest wordt aangewend. De benodigde hoeveelheid verschilt per bedrijf en hangt onder andere af van de grondsoort en het kalileverend vermogen van de grond.

