De Hoop: stikstofbeleid moet anders, focus op efficiëntie en kwaliteit

De melkveehouderij heeft de afgelopen jaren te maken gekregen met een groeiend aantal regels rond stikstofemissies, nitraatuitspoeling en mestgebruik. Deze maatregelen leiden tot hoge kosten en onzekerheid voor bedrijven, terwijl het effect op emissies lang niet altijd duidelijk is. Als voorbeeld noemt hij de afwijzing van het Nederlandse derogatieverzoek door de Europese Commissie.
Door het wegvallen van derogatie mogen boeren minder dierlijke mest gebruiken en stijgt op veel bedrijven het gebruik van kunstmest. Dat is volgens hem ongunstig vanuit het oogpunt van zowel nitraatuitspoeling als stikstofemissies. Vooral het te hoge en onjuiste kunstmestgebruik bleek in het verleden te leiden tot hoge, directe en indirecte emissies en nitraatuitspoeling.
Gemiddelde ureumgehalte en stikstofoverschot
De kern van zijn voorstel is dat het beleid niet langer moet sturen op hoeveel mest wordt uitgereden, maar op de milieuprestaties van het bedrijf. Daarbij spelen twee indicatoren een centrale rol: het gemiddelde ureumgehalte in de melk en het stikstofoverschot op bedrijfsniveau per hectare. Deze indicatoren geven een goed beeld van de stikstofefficiëntie van een melkveebedrijf. Het ureumgehalte in melk wordt sterk beïnvloed door factoren zoals bodemkwaliteit, bemesting, voederwinning en het rantsoen van de koeien. Het stikstofoverschot laat zien hoeveel stikstof uiteindelijk op bedrijfsniveau verloren gaat.
Met deze vorm van doelsturing kan sneller resultaat worden bereikt dan met technische emissiemaatregelen alleen. Het melkureum wordt bovendien al routinematig gemeten door zuivelbedrijven, waardoor boeren hun bedrijfsvoering gedurende het jaar kunnen bijsturen. Verlaging van het ureumgehalte leidt volgens hem tot minder ammoniakemissie, minder nitraatuitspoeling en een efficiënter gebruik van stikstof.
Sturen op 110 kilo ammoniumstikstof per hectare
Naast doelsturing is een andere manier van normeren van dierlijke mest belangrijk. In plaats van een norm van 170 kilo stikstof per hectare uit dierlijke mest zou volgens hem moeten worden gestuurd op maximaal 110 kilo ammoniumstikstof per hectare. Dat voorstel hangt samen met veranderingen in de samenstelling van mest in de afgelopen decennia. Door verbeteringen in het rantsoen en het management op melkveebedrijven is het ureumgehalte in melk sterk gedaald. Daardoor bevat dierlijke mest tegenwoordig relatief minder ammoniumstikstof dan in de jaren negentig. Toen zat in die 170 kilo stikstof in dierlijke mest 110 kilo ammoniumstikstof.
Een norm gebaseerd op ammoniumstikstof kan meerdere voordelen hebben. Bedrijven zouden meer organische stof uit dierlijke mest kunnen benutten, wat gunstig is voor bodemkwaliteit en bodemleven. Tegelijk zou de afhankelijkheid van kunstmest aanzienlijk afnemen, niet alleen van stikstof maar ook van fosfaat en kali. Uit gegevens van projecten rond duurzame melkveehouderij blijkt bovendien dat bedrijven met een laag ureumgehalte in melk aanzienlijk minder ammoniakemissie veroorzaken. Elke daling van het melkureum met één punt kan volgens hem leiden tot 4 tot 6 procent minder emissie.
Subsidiering emissiebeperking rond Natura 2000-gebieden
Voor gebieden rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn aanvullende maatregelen kansrijk. In plaats van generieke verboden op mestgebruik zou daar volgens hem beter gericht kunnen worden gestimuleerd op verdere emissiereductie. Technieken zoals mestverwerking, stalaanpassingen, additieven of andere managementmaatregelen kunnen volgens hem met subsidies versneld worden ingevoerd.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan het fors subsidiëren van stikstofkrakers, al of niet mobiel, een koetoilet, druppelinstallatie in de stal, nog verdere ureumverlaging, toevoegmiddelen aan de mest, stalaanpassingen. Bijvoorbeeld: toepassing van een stikstofkraker beperkt de emissie uit de stal al aanzienlijk en bij het aanwenden van de mest nagenoeg geheel, daar de ammoniumstikstof in de mest in de machine wordt afgevangen tot de recent toegestane kunstmest Renure. Een gerichte stimulering van dergelijke technieken kan efficiënter zijn dan grootschalige uitkoop- of verplaatsingsregelingen voor bedrijven.
Het plan sluit volgens hem aan bij Europese discussies over geïntegreerd nutriëntenbeheer, waarbij emissies op bedrijfs- en gebiedsniveau centraal staan. Ook voor de akkerbouw kan een systeem van doelsturing uitkomst bieden, met name op zand- en lössgronden waar de nitraatuitspoeling relatief hoog is.
Huidige gebruiksnormen kunnen op termijn verdwijnen
Als een systeem van doelsturing eenmaal goed functioneert, zouden de huidige gebruiksnormen voor mest op termijn kunnen verdwijnen. Bedrijven worden dan niet meer afgerekend op hoeveel mest zij gebruiken, maar op de milieuprestaties die zij daadwerkelijk realiseren. Daarmee zou volgens hem een systeem ontstaan dat zowel effectiever als efficiënter is in het terugdringen van emissies.
---------------------------
Over Wim de Hoop
Wim de Hoop werkte jarenlang bij Wageningen UR als hoofd van de afdeling Bedrijf & Beleid. Sinds 2012 is hij actief als consultant en betrokken bij projecten rond verduurzaming van de landbouw via zijn zijn Kennis Center voor Groene Groei (KCGG). Het volledige plan is gepubliceerd via het kennisplatform Smart Fertilization.
Tekst: Wim de Hoop
Beeld: Ellen Meinen
