
Kievit in de knel op maïsland

Dat adviseert Willemien Geertsema, onderzoeker bij het Louis Bolk Instituut tijdens het BoerenNatuur Kennisuur van 4 februari.
Achteruitgang
De kievit is een belangrijke doelsoort binnen het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). In Nederland broeden naar schatting 89.000 tot 130.000 paren, maar de trend is negatief: de populatie is met ongeveer 50 procent afgenomen sinds eind jaren ’90. In Europa daalde het broedareaal in drie generaties met 20 tot 29 procent. Voor een stabiele populatie moet elk kievitpaar jaarlijks minimaal één kuiken vliegvlug krijgen, stelt Geertsema. Dat vraagt om een nestsucces van 64 procent en een kuikenoverleving van 36 procent. Vooral die laatste vormt het knelpunt. Verstoring, predatie en een gebrek aan voedsel spelen daarbij een rol.
Wat maakt maïsland zo aantrekkelijk?
Steeds vaker is de kievit, bekend als een echte weidevogel, te vinden op mais- en ander bouwland. Door klimaatverandering begint het groeiseizoen van gras steeds eerder. Hoog gras is onaantrekkelijk voor kieviten, aldus Geertsema. “Ze broeden het liefst op kale grond met korte vegetatie. Bouwland, en met name maïsland, is in het voorjaar relatief kaal en daardoor geschikt als nestplaats.”
Waarnemingen van weidevogelvrijwilligers in Zuid-Holland lieten zien dat het nestsucces op grasland, maïsland en ander bouwland weliswaar vergelijkbaar en voldoende was, maar dat het in de maisteelt misgaat na het uitkomen van de eieren. De kuikenfase valt vaak samen met de tijd waarin boeren starten met bemesting, grondbewerking, zaaien en onkruidbestrijding. Een groot risico voor de kuikenoverleving.
Onderzoek: slechts 10 procent overleeft
Om de achteruitgang van de kievit tegen te gaan, startte het Louis Bolk Instituut het afgelopen jaar een meerjarig onderzoeksproject bij twintig boeren. Dat deed ze in opdracht van de provincie Zuid-Holland in samenwerking met agrarische collectieven en Sovon. Afgelopen voorjaar werden twintig kievitvrouwtjes met gps-zenders gevolgd om het lot van hun kuikens te monitoren.
De resultaten waren confronterend: van de twintig gezinnen brachten slechts twee kuikens groot, een overleving van 10 procent. Elf gezinnen begonnen aan een tweede legsel, maar geen daarvan slaagde. Naast een koud en droog voorjaar lijken vooral intensieve grondbewerking en een gebrek aan bodemleven belangrijke oorzaken.
Bodemleven als sleutel
De onderzoekers analyseerden verder perceelkenmerken zoals vocht, vegetatie, verstoring, slootkanten en bodemleven. Ook keken ze in proefblokken van zes bij tien meter naar de invloed van teeltmaatregelen: vroege of late zaai, drijfmest versus vaste mest en chemische of mechanische onkruidbestrijding. Ze testten een speciale ‘kievitbehandeling’: zaaien rond 2 juni, gebruik van vaste mest, mechanische onkruidbestrijding en maaiselcompost als winterbedekking. Wat bleek? De maïsopbrengst was vergelijkbaar met die van gangbare teelt. En latere zaai had een positief effect op het bodemleven, met name grotere insecten en spinnen namen toe, essentieel voedsel voor kuikens.
Belangrijkste adviezen
Het onderzoek loopt ook dit jaar nog door met vervolgmetingen van bodemleven, pesticiden en kuikensterfte. “Eind dit jaar hopen we tot onderbouwde beheeradviezen te komen die maïsteelt en kievitbescherming beter verenigen”, stelt Geertsema. Tijdens het BoerenNatuur Kennisuur gaf ze wel alvast een aantal adviezen mee om de overleving van kievitkuikens te vergroten op maisland. “Uitstel van bewerking van het land tot 1 juni is bijvoorbeeld heel effectief. Er zijn goede maisrassen die daarbij een goede opbrengst kunnen opleveren”, stelt ze. “Ook behoud van groene greppels en slootkanten is echt belangrijk.”
Daarnaast raadt ze aan om ruige mest voor 15 maart te gebruiken, om daarna zoveel mogelijk rust te creëren in de broedperiode. “Verder hopen we dat de kieviten de omgeving in het mozaïek goed kunnen bereiken en gebruiken, met hoog slootpeil, slikrandjes, beweiding en plasdrassen.”
BoerenNatuur Kennisuur
BoerenNatuur zet zich volop in om de ecologische impact van agrarisch natuurbeheer continu te verbeteren. Dat doet ze door kennis te delen over ecologie en beheer van doelsoorten, én door inspirerende praktijkvoorbeelden te laten zien. Het BoerenNatuur Kennisuur is voor iedereen die zich bezighoudt met natuurinclusieve landbouw en het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb): boeren, medewerkers van agrarische collectieven, terreinbeherende organisaties, landschapsbeheerorganisaties, adviesbureaus en vrijwilligers. Naast kieviten zijn de afgelopen maanden er ook kennisuren geweest over wulpen, steenuilen, de gekraagde roodstaart en veldleeuwerik, maar ook over hoe de weidepaal een belangrijke bron van biodiversiteit kan zijn.
Meer weten? Hou de website en social media kanalen van BoerenNatuur in de gaten voor de komende Kennisuren. De eerdere Kennisuren zijn ook terug te kijken.
Tekst: BoerenNatuur
Beeld: Pieter Verbeek
