Beregenen van snijmais op droge zandgrond levert meer op dan beregenen van gras

Dat blijkt uit onderzoek op De Marke. Daar werden modelberekeningen gecombineerd met meer dan twintig jaar praktijkdata om de toekomstige beregeningsbehoefte van gras en snijmais en de effecten op opbrengst en bedrijfsresultaat te bepalen.
De resultaten wijzen volgens de onderzoekers erop dat beregenen van snijmais economisch effectiever is dan beregenen van gras. Bij beperkte beschikbaarheid van water kan het daarom verstandig zijn om snijmais prioriteit te geven bij beregening en beweid grasland minder intensief te beregenen. Het volledig aanvullen van het vochttekort op beweid grasland lijkt onder droge omstandigheden minder rendement op te leveren.
Praktijkdata van 22 jaar beregening
De onderzoekers analyseerden gegevens uit de periode 2000 tot en met 2021. Op De Marke wordt per perceel nauwkeurig vastgelegd wanneer en hoeveel er wordt beregend. Alle percelen krijgen beregening, maar de intensiteit verschilt. Uit de analyse blijkt dat de beregeningsinzet sterk samenhangt met het neerslagtekort: in droge jaren wordt meer beregend dan in jaren met minder droogte.
Het blijvend grasland ligt op De Marke voornamelijk op de huiskavel en wordt gebruikt voor beweiding. Deze percelen worden intensief beregend om bij droogte voldoende grasaanbod te behouden voor beweiding van de melkkoeien en schade aan de graszode door betreding te voorkomen. Maaipercelen liggen vooral op veldkavels en worden extensiever beregend.
Uit de statistische analyse blijkt dat op extensief beregende maaipercelen, waar gemiddeld 13 millimeter per 100 millimeter neerslagtekort wordt gegeven, meer beregenen leidt tot een hogere grasopbrengst. Het effect bedraagt gemiddeld 23,5 kilo droge stof per millimeter beregening. Op intensief beregende weidepercelen, waar circa 39 millimeter per 100 millimeter neerslagtekort wordt beregend, werd dat opbrengstverhogende effect niet gevonden. Meer beregenen leidde daar niet tot aantoonbaar meer grasproductie.
Stress bij beweiding mogelijk verklaring
Dat verschil is volgens de onderzoekers opvallend, omdat doorgaans de verwachting is dat een hogere beregeningsintensiteit ook leidt tot meer grasgroei. Een mogelijke verklaring is dat gras onder droge en warme omstandigheden extra stress ondervindt door betreding tijdens beweiding. Gras op maaipercelen groeit ongestoord door, terwijl beweid grasland tegelijkertijd te maken heeft met droogtestress en betredingsdruk.
Daarnaast speelt de bodem een belangrijke rol. De droge zandgrond op De Marke schakelt relatief abrupt van een voldoende naar een onvoldoende vochtsituatie. Door de beperkte beregeningscapaciteit is het lastig om precies op het optimale moment water te geven. Bij suboptimaal beregenen ontstaat al snel droogte, waardoor de grasgroei sterk afneemt. In zo’n situatie kan een kleine of grotere achterstand in beregening relatief weinig verschil maken. Hoge zomertemperaturen versterken dit effect, omdat droge zandgronden met weinig bodemvocht snel opwarmen.
Grotere beregeningsbehoefte richting 2050
Om de gevolgen van klimaatverandering door te rekenen is gebruikgemaakt van het model Waterpas. Met dit instrument kunnen de effecten van hydrologie op grasgroei, graslandgebruik en technische en economische bedrijfsresultaten van melkveebedrijven worden berekend.
De modelanalyse laat zien dat zonder beregening en zonder maatregelen om water vast te houden de opbrengsten richting 2050 duidelijk onder druk komen te staan. In dat scenario daalt de grasproductie met 9 procent en de snijmaisopbrengst met 18 procent ten opzichte van het huidige niveau.
Om deze verliezen te compenseren neemt de beregeningsbehoefte toe. Voor gras is in het toekomstscenario 1,3 keer zoveel beregening nodig als nu, terwijl voor snijmais 1,6 keer zoveel water nodig is. De opbrengstreactie op beregening verschilt daarbij sterk per gewas. Bij gras levert beregenen in het voorjaar gemiddeld 24 kilo droge stof per millimeter op en over het hele groeiseizoen 18 kilo droge stof per millimeter. Bij snijmais ligt dit effect aanzienlijk hoger met gemiddeld 38 kilo droge stof per millimeter.
Het onderzoek op Agro-innovatiecentrum De Marke is uitgevoerd in het kader van het PPS-project Koeien & Kansen.

