
Goede kwaliteit en hoge opbrengsten: het juiste graslandbeheer maakt het verschil

Actief en doelgericht graslandonderhoud zijn de belangrijkste pijlers voor het behoud van productief grasland. In de praktijk is dat vaak een uitdaging: extreme weersomstandigheden en plagen zoals muizen, emelten en engerlingen hebben steeds meer invloed op het grasland. Tegelijkertijd moeten de bestaande wetten- en regels worden nageleefd. Door deze omstandigheden is het niet altijd eenvoudig om de voervoorziening voor hoogproductieve dieren op lange termijn veilig te stellen. Juist daarom is het belangrijk om alle beschikbare middelen op het gebied van onderhoud en management optimaal te benutten om de opbrengsten op peil te houden.
Grasland onderhoud
Goed graslandbeheer begint met het controleren van percelen op botanische samenstelling, zodedichtheid en mogelijke schade door plagen. Het is belangrijk om veranderingen in de graszode zo vroeg mogelijk te signaleren en tijdig passende onderhoudsmaatregelen te nemen.
De belangrijkste maatregelen zijn eggen en doorzaaien. Intensief gebruik van percelen leidt ertoe dat de groeikracht van voedergrassen afneemt. Regelmatig doorzaaien met nieuwe genetica zorgt ervoor dat de productie van het perceel op niveau blijft.
Daarnaast beïnvloedt het gebruiksdoel van het perceel de samenstelling van de graszode. Beweiding of een combinatie van beweiden en maaien wordt meestal gekenmerkt door een hogere zodedichtheid, omdat beweiding de groei van bovengrondse uitlopers stimuleert. Dit positieve betredingseffect ontbreekt percelen die enkel gemaaid worden, waardoor de zode eerder opener wordt. In die situaties is eggen in combinatie met doorzaaien met kwalitatief goede grassoorten sterk aan te raden om open plekken effectief te dichten.
Efficiënte bemesting
Naast het naleven van wet- en regelgeving is een efficiënte bemesting cruciaal. Organische bemesting moet vroeg in het groeiseizoen plaatsvinden, zodat de vrijkomende stikstof zo efficiënt mogelijk kan worden benut voor de hergroei.
Daarnaast kan het vooraf scheiden van mest een groot voordeel zijn. De dunne fractie dringt beter in de bodem, werkt sneller en laat nauwelijks resten achter op het gewas, waardoor het risico op vervuiling van het ruwvoer afneemt. Minerale bijbemesting kan eveneens het beste in het voorjaar plaatsvinden.
De meeste nutriënten worden normaal gesproken voldoende aangevoerd via organische mest, maar met name kalium en zwavel vragen extra aandacht. Op intensievere melkveebedrijven is het kaliumgehalte in mest vaak relatief laag. Voor grasland dat intensief wordt gebruikt is een aanvullende minerale kalibemesting daarom vaak aan te raden. Een extra zwavelgift bij de eerste snede kan de stikstofbenutting verbeteren.
Controleer ook of een onderhoudsbekalking uitgevoerd moet worden. Met name vlinderbloemigen en kruiden reageren sterk op een te lage pH-waarde. Maar ook veel gewenste grassoorten groeien niet optimaal bij een te lage pH.
Conclusie
Het langdurig in goede kwaliteit houden van grasland vraagt om gericht onderhoud, het juiste management en veel vakmanschap. Eggen, doorzaaien en een efficiënte bemesting zijn daarbij sleutelfactoren. Alleen zo is het mogelijk om ondanks extreme weersomstandigheden, schades en regelgeving een stabiele en hoge opbrengst te realiseren.
Oorspronkelijke tekst uit DSV INNOVATION 2/2025 door Dr. Christine Kalzendorf en Frerich Wilken