CBGV: benut rundveedrijfmest zo goed mogelijk voor sterke eerste snede

Nu de derogatie is vervallen en overal een norm van 170 kilo stikstof uit dierlijke mest per hectare geldt, is de mestplaatsingsruimte op veel melkveebedrijven beperkter dan voorgaande jaren. Juist daarom is het volgens de CBGV essentieel om mest en kunstmest doelgericht in te zetten.
De gebruiksnormen zijn in 2026 niet veranderd, maar doordat de derogatie is vervallen is de toegestane inzet van dierlijke mest op veel bedrijven lager dan vorig jaar. Voor melkveebedrijven met veel weidegang betekent dit dat er relatief weinig mest beschikbaar is.
In sommige situaties kan het volgens de commissie zelfs nodig zijn om vrijwel alle mest al voor de eerste snede toe te dienen. Daarom is het belangrijk om de beschikbare mest optimaal te benutten en vooraf een praktisch bemestingsplan op te stellen.
Actuele mestanalyse eerste stap
Tussen bedrijven kunnen grote verschillen bestaan in mestsamenstelling. Een actuele mestanalyse is daarom een logische eerste stap, zo adviseert de CBGV. Daarmee wordt duidelijk wat de bemestende waarde is van één kubieke meter rundveedrijfmest en hoeveel kubieke meter nodig zijn.
Vervolgens is het advies om te bepalen hoeveel mest naar de snijmaïs gaat. De commissie adviseert voor de maïsteelt ongeveer 30 kubieke meter rundveedrijfmest per hectare. De resterende nutriëntbehoefte kan worden aangevuld met een NS- of NPS-rijenmeststof. Bij een geslaagd vanggewas is door nalevering van stikstof vaak 30 tot 40 kilo stikstof per hectare in de rij voldoende. Zo blijft er meer mest en kunstmest beschikbaar voor grasland, wat bijdraagt aan een hoge en kwalitatief goede grasproductie.
Let op moment van toedienen
Voor een goed rendement is niet alleen de hoeveelheid drijfmest van belang, maar vooral ook het moment en de manier van toedienen. Mest uitrijden kan het beste pas wanneer de grond voldoende draagkracht heeft, om structuurschade te voorkomen. Bij zodebemesten geldt dat een gift van ongeveer 20 tot 25 kubieke meter per hectare de hoogste stikstofwerking geeft, zeker wanneer de mest netjes in de sleuf ligt. Bij sleepvoetenbemesting kan, inclusief verdunning, tot ongeveer 30 kubieke meter per hectare worden toegediend.
De eerste kunstmestgift sluit daar vervolgens op aan. Volgens de CBGV ligt het optimale moment rond een T-som van 300 bij weiden en rond een T-som van 400 bij maaien. De grootte van de gift hangt af van de gewenste opbrengst en van de hoeveelheid werkzame stikstof die al via dierlijke mest is toegediend.
Percelen kunnen sterk verschillen in stikstofleverend vermogen. In dat geval is het verstandig om percelen te groeperen en de bemesting daarop af te stemmen. Ook kan bij omweiden worden gevarieerd in de startdatum van de kunstmestgift, zodat groeitrappen beter worden benut.
Klaver kan bijdragen aan stikstofbinding
Voor fosfaat geldt dat de meeste percelen een ruim voldoende toestand hebben, waardoor extra fosfaatkunstmest meestal niet nodig is. Uitzonderingen zijn percelen langs beekdalen of gronden met ijzer in de ondergrond, waar een kleine startgift zinvol kan zijn. Kaliaanvulling is in de eerste snede vaak niet nodig wanneer dierlijke mest wordt gebruikt.
Op zand- en kleigrond is zwavelbemesting meestal wel gewenst, afhankelijk van de zwavellevering. Op veengrond wordt zwavelbemesting juist afgeraden, omdat dit later in het seizoen kan leiden tot te hoge zwavelgehalten in het gras.
Tevens wijst de CBGV erop dat een goede mestbenutting ook vraagt om strategische keuzes in het seizoen. Waar mogelijk kan klaver bijdragen aan stikstofbinding, waardoor na de eerste snede kunstmest kan worden bespaard en elders binnen het bedrijf efficiënter kan worden ingezet.
Door mest vroeg in het seizoen zorgvuldig toe te dienen, mestgiften op weidepercelen te beperken en rundveedrijfmest vooral op grasland te benutten, kan met minder beschikbare mest toch een hoog rendement worden gehaald.

Tekst: Stefan Buning
Geboren en getogen op een melkveebedrijf in de Achterhoek. Sinds 1998 werkzaam als redacteur bij Agrio. Als chef Melkvee is hij samen met zijn team verantwoordelijk voor het kritisch volgen van alles wat er in en om de melkveehouderij in Nederland gebeurt.
Beeld: Ellen Meinen
Bronnen: Commissie Bemesting Grasland, Voedergewassen
