Ruw eiwitgehalte in vers gras moeilijk te voorspellen: meten blijft noodzakelijk

Doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in de vraag of melkveehouders met behulp van GPR beter kunnen sturen op de ruw-eiwitaanvoer uit weidegras, met als richtlijn een totaal rantsoen van circa 155 gram ruw eiwit per kilo droge stof. De metingen laten zien dat het RE-gehalte in vers gras extreem kan variëren en dat deze schommelingen direct doorwerken in de eiwitaanvoer via het rantsoen.
Ruw eiwitgehalte is niet betrouwbaar te voorspellen
Volgens Wageningen UR bleek het ruw eiwitgehalte in deze pilot niet betrouwbaar te voorspellen op basis van gangbare kengetallen zoals snedeleeftijd, bemesting of weersomstandigheden. Dat komt doordat het RE-gehalte van vers gras door meerdere factoren tegelijk wordt beïnvloed, die ook onderling samenhangen. Seizoen, temperatuur en grondsoort geven wel een globale trend, bijvoorbeeld door natuurlijke veroudering van het gras en verschillen in stikstoflevering vanuit de bodem, maar binnen dezelfde regio en grondsoort bleef de spreiding groot. Vuistregels bieden daardoor onvoldoende zekerheid om het eiwitgehalte van vers gras nauwkeurig te voorspellen.
Dit maakt het voor melkveehouders lastig om op basis van planning of ervaring gericht te sturen op de ruw-eiwitaanvoer uit gras. Actuele analyse van het gras blijkt daarom noodzakelijk om tijdig bij te sturen. De GPR biedt daarvoor een manier om structureel inzicht te krijgen in de actuele voederwaarde van het gras.
Bewuster rantsoen corrigeren met snelle analyse
In de pilot ontvingen deelnemers de analyseresultaten doorgaans binnen enkele dagen. Daardoor konden zij het rantsoen tijdig aanpassen. Hoewel deze groep gemiddeld meer weidegang had en dus meer vers gras in het rantsoen voerde dan de referentiegroep uit Koe & Eiwit, bleef het RE-gehalte van het totale rantsoen vergelijkbaar. Dat lukte doordat veehouders bewuster corrigeerden met bijproducten met een lager eiwitgehalte.
De Eiwitmonitor speelde hierbij een belangrijke rol. Deze koppelt de uitslagen van de grasanalyses aan het actuele rantsoen en rekent door wat de gemeten RE-waarde van het vers gras betekent voor het totale rantsoen. Veehouders kregen daardoor sneller inzicht of bijsturing nodig was, bijvoorbeeld door het aandeel eiwitrijk voer te verlagen of juist extra energie- of structuurbronnen bij te voeren. De vertaalslag van analyse naar rantsoenkeuze wordt hiermee direct gemaakt.
Digitale hulpmiddelen bieden nog onvoldoende zekerheid
Volgens Wageningen UR ligt de meerwaarde van GPR niet alleen bij weiden, maar ook bij zomerstalvoedering en bij ingekuild gras. In alle situaties geldt dat actuele informatie over de voederwaarde van het gevoerde gras essentieel is. Daarbij is niet alleen het gehalte van belang, maar ook de hoeveelheid gras die daadwerkelijk in het rantsoen terechtkomt. Pas dan kan de ruw-eiwitaanvoer goed worden ingeschat en gericht worden bijgestuurd met krachtvoer en bijvoeding.
Digitale hulpmiddelen die de voederwaarde voorspellen, bieden volgens de onderzoekers voorlopig nog onvoldoende zekerheid. In de pilot kwam de voorspelling van het RE-gehalte alleen in de eerste snede enigszins overeen met de metingen en werd het eiwitgehalte gemiddeld onderschat. Voor een betrouwbare inschatting van de ruw-eiwitaanvoer uit gras blijft meten daarom noodzakelijk.
Wie inschaart heeft snellere resultaten nodig
Een knelpunt voor brede toepassing van de GPR is de tijd tussen monstername en uitslag. Wie op het moment van inscharen wil bijsturen, heeft sneller resultaten nodig. Wageningen UR ziet daarom vooral kansen in snellere terugkoppeling van analyseresultaten en betere koppelingen tussen laboratoriumdata en voer- en graslandregistratie. Dat maakt gerichtere sturing op de ruw-eiwitaanvoer uit gras in de dagelijkse praktijk beter haalbaar.
De onderzoekers benadrukken dat het om een pilot met twintig bedrijven gaat. De resultaten geven vooral inzicht in de grote variatie van ruw eiwit in weidegras en laten zien dat sturen op basis van actuele grasanalyses in de praktijk mogelijk is, mits de informatie betrouwbaar, tijdig beschikbaar en goed vertaald wordt naar concrete rantsoenkeuzes.
Het hele onderzoek is via deze link te lezen: GrasProductieRegistratie in de praktijk

