WUR: urinefracties kansrijk, maar heeft geen volledige kunstmestwaarde

Op grasland vergeleek WUR in 2022 tot en met 2024 op zandgrond in de omgeving van Vredepeel verschillende dunne mestproducten uit stallen met scheiding aan de bron met gangbare kalkammonsalpeter. Het ging om urinefracties van melkvee, onder meer uit koetoilet- en Lely Sphere-systemen, en om dunne fracties na mestscheiding.
De onderzoekers dienden telkens 80 kilogram stikstof per hectare toe in één snede en keken ook naar de daaropvolgende snede. De stikstofwerkingscoëfficiënt van de urineproducten lag daarbij tussen 51 en 77 procent ten opzichte van kunstmest. In 2022 en 2023 bleven drogestofopbrengst en stikstofopname met urinefracties duidelijk achter op KAS, terwijl het verschil in 2024 kleiner was.
Een waarschijnlijke verklaring volgens de onderzoekers is dat bij toediening in warmere, zonnige snedes meer ammoniak vervluchtigt, waardoor minder stikstof voor het gras overblijft. De urine uit koetoiletten had bovendien een relatief hoge pH, wat het emissierisico vergroot. Daarnaast noemt het onderzoeksrapport ook verhoogde denitrificatie en een minder egale verdeling van vloeibare urine in sleufjes ten opzichte van volvelds gestrooide KAS als mogelijke oorzaken voor de lagere werking.
Aanzuren urine
In 2024 is ook rundveedrijfmest als referentie meegenomen; die had toen een duidelijk lagere stikstofwerkingscoëfficiënt dan de urinefracties in dat jaar. Dat laat volgens het onderzoek zien dat urine in een koele, vochtige eerste snede als snelle stikstofbron ook beter kan uitpakken dan drijfmest.
Aanzuren of verdunnen van urine, getest met koetoilet-urine, maakte in deze veldproeven geen aantoonbaar verschil in stikstofwerking. De pH van aangezuurde urine steeg na het aanzuren snel weer richting het oorspronkelijke niveau, waardoor het beoogde effect op ammoniakverliezen wegviel. Voor melkveehouders betekent dit dat simpel aanzuren in de huidige vorm geen zekerheid biedt op betere benutting.
Hogere stikstofwerking
Bewerking met plasmatechniek, waarbij extra nitraat wordt gevormd en de pH daalt, gaf een wisselend beeld. In 2022 en 2023 leidde plasmabewerking van respectievelijk koetoilet-urine en dunne rundveefractie tot een hogere stikstofwerking en hogere opbrengsten in gras.
In 2024 werkte het juist minder goed; het behandelde product presteerde toen lager dan de onbehandelde dunne fractie. Volgens de onderzoekers kan het natte voorjaar van 2024, gecombineerd met het hogere nitraatgehalte in het plasmaproduct, hebben gezorgd voor extra denitrificatie of uitspoeling. Dat onderstreept dat plasma-bewerkte dunne fracties vooral perspectief lijken te hebben in latere snedes met drogere omstandigheden.
Bemesting op snijmaïs
Voor bemesting op snijmaïs is het beeld gunstiger voor urine als rijenbemesting. In 2023 gaf 60 kilogram stikstof per hectare via urine naast de maïsrij dezelfde drogestofopbrengst, stikstofopname en stikstofbenutting als een vergelijkbare kunstmestgift in de rij.
De injectietechniek in de rij zorgt ervoor dat urine direct met grond wordt afgedekt, waardoor ammoniakverliezen waarschijnlijk veel lager zijn dan bij toediening in open sleufjes op grasland. Dit betekent dat urinefracties uit scheidingsstallen potentieel één-op-één kunstmest in de rij kunnen vervangen, mits de toediening goed is afgesteld.
De dikke fractie uit melkveestallen was minder effectief als basisbemesting voor maïs. Bij gelijke aanvoer van wettelijke werkzame stikstof bleef de opbrengst met de dikke mest duidelijk achter op die met rundveedrijfmest. De stikstof uit de dikke fractie is voor een groot deel organisch en komt later vrij, terwijl bij een relatief late toediening in de proef minder tijd was voor mineralisatie tijdens de periode dat maïs stikstof opneemt. Ook kan bij vaste producten meer ammoniak vervluchtigen doordat inwerken minder homogeen verloopt. Dit maakt de dikke fractie minder geschikt als snelle stikstofbron, maar zegt nog weinig over mogelijke nawerking in latere jaren, waar het onderzoek niet op heeft gefocust.
Renure
Een derde stroom dat onderzocht is, is gestript ammoniumsulfaat uit mestbewerking, dat in Europees verband wordt gezien als mogelijke Renure (Recovered Nitrogen from Manure)-meststof.
Door een verkeerd afgestelde flowmeter is in de grasproeven ongeveer dertig procent minder stikstof toegediend dan gepland, waardoor de onderzoekers de resultaten daar niet duidelijk konden kwantificeren. Uitgaande van een lineair verband tussen gift en opname, komt de stikstofwerking bij benadering uit op 70 tot 95 procent van kunstmest. Ander onderzoek laat zien dat ammoniumsulfaat praktisch vergelijkbaar kan presteren met KAS.
De onderzoekers plaatsen wel een duidelijke kanttekening bij het juridische label Renure. De kunstmestvervangers hebben op dit moment nog geen wettelijke toelating; er ligt wel een voorstel om onder meer gestript ammoniumsulfaat als Renure te erkennen. Als urinefracties of vergelijkbare dunne producten in de toekomst als Renure zouden worden aangemerkt, hoort daar een werkingscoëfficiënt van 100 procent bij.
De veldresultaten laten echter een structureel lagere werking zien op grasland. Bij krappe stikstofgebruiksnormen kan dat direct opbrengst kosten, waardoor een wettelijke waardering rond 80 procent volgens WUR realistischer zou zijn, al blijven de producten dan binnen de dierlijke mestnorm. Voor melkveehouders betekent dit dat het verstandig is om bij inzet van urinefracties in grasland rekening te houden met een lagere effectiviteit dan kunstmest en om scherp te sturen op toedieningstechniek en weersomstandigheden.

